De Pen | Dr. Ir. Arch. Dorien Aerts, VK Architects & Engineers

Residentieel elektriciteitsverbruik: mind the gap !

Hoe groot is het verschil tussen theoretische energieprestaties en reëel energiegebruik bij woningen? Te groot! Daarom organiseerde Pixii op 16 oktober een Expert Day. Verschillende experten namen deze ‘performance gap’ onder de loep. Dr. Ir. Arch. Dorien Aerts van VK Architects & Engineers kwam spreken over residentieel elektriciteitsverbruik. De grote variaties in het energieverbruik van nagenoeg identieke gebouwen wijzen erop dat het verschil tussen berekend en gemeten energieverbruik toe te schrijven is aan gebruikersgedrag.

In Europa bedraagt het aandeel van gezinnen in het finale energieverbruik 27%. De overheden leveren inspanningen om het energieverbruik te doen dalen door gezinnen te sensibiliseren en de energieprestatieregelgeving jaar na jaar te verstrengen. Deze energieprestatieregelgeving is beter bekend als de EPB- en EPC-certificaten. Doorgaans richten energiebesparende maatregelen zich op gebouw-gebonden aspecten zoals technische installaties en de gebouwenschil. Nochtans verschilt het berekend energieverbruik aanzienlijk van het werkelijk energieverbruik zodra het gebouw in gebruik is. Zo zijn er voorbeelden van identieke woningen, waarvan het reële energieverbruik met een factor drie verschilt.

De discrepantie tussen het berekende en werkelijke energieverbruik wordt ook wel de “performance gap” genoemd. Onderzoekers hebben tal van mogelijke oorzaken geïdentificeerd voor deze performance gap, waaronder uitvoeringfouten (zoals slecht geplaatste isolatie), en fouten in de inregeling van technische installaties. Maar ook de menselijke factor speelt een zeer grote rol: de manier waarop de bewoners hun woning verwarmen en gebruiken zal in grote mate het werkelijke energieverbruik bepalen.

In de evolutie naar bijna-energie-neutrale (BEN) woningen wordt het des te belangrijker om de effecten van gebruikersgedrag te begrijpen. In goed geïsoleerde en luchtdichte woningen is er steeds minder energie nodig om de woning te verwarmen. Deze resterende energievraag wordt in steeds mindere mate ingevuld door de verwarmingsinstallatie. Naast zonnewinsten worden immers ook de warmtewinsten die afkomstig zijn van aanwezige personen en van elektrische toestellen (samen “interne warmtewinsten” genoemd), steeds belangrijker in de totale energiebalans.

We kunnen met andere woorden onze woningen voor een groot stuk verwarmen met de “passieve” energie die afkomstig is van zonnewinsten en interne warmtewinsten. Voor deze passieve warmtewinsten geldt echter een veel grotere variatie en onzekerheid. De beschikbaarheid van zonnewinsten hangt uiteraard af van de oriëntatie van de woning, maar ook van het klimaat. Interne warmtewinsten zijn sterk gelinkt aan gebruikersgedrag: wanneer we thuis zijn en toestellen gebruiken hangt af van onze gezinssituatie, tewerkstelling en levensstijl.

Hoewel we hebben geleerd dat het energieprestatiecertificaat géén betrouwbaar resultaat geeft over het werkelijke energieverbruik van de gezinnen, betekent dit niet dat de energieprestatieregelgeving zinloos is. Het doel van de regelgeving is een objectieve vergelijking of benchmark van de gebouwenstock, wat inhoudt dat er vaste randvoorwaarden gelden voor alle gebouwen op vlak van gebruikersgedrag. De problematiek is overigens vergelijkbaar met die in de automobielsector, denk maar aan de berichtgeving rond brandstofverbruik en uitstoot in labo-condities en in de realiteit. Ook daar worden test-standaarden opgelegd om een objectieve vergelijking mogelijk te maken.

Het gevaar schuilt in de conclusies die naar de gebouwgebruikers gecommuniceerd worden.  Op de certificaten wordt zonder nuance een uitspraak gedaan over het jaarlijks energieverbruik, hoewel we weten dat er in werkelijkheid een grote tolerantie zit op het reëel verbruik. Het is dan ook hoog tijd om meer informatie te verzamelen rond het werkelijke energieverbruik, in combinatie met informatie over de gezinssituatie. Dit laat toe om de gezinnen op een betere manier te sensibiliseren, nl. door hen een vergelijking aan te bieden ten opzichte van gezinnen in een gelijkaardige situatie. Of met andere woorden: een benchmarking “gezinnen” in plaats van “woningen”. Want uiteindelijk zijn het de mensen die energie verbruiken, niet de woningen.

Dorien Aerts is sinds 2017 aan de slag bij VK Architects & Engineers als projectingenieur Sustainable Design. Ze adviseert er ontwerpteams op het vlak van duurzaamheid en is verder ook BREEAM adviseur. Daarvoor was ze raadgevend ingenieur bij Daidalos Peutz Bouwfysisch Ingenieursbureau. Tijdens haar doctoraatsopleiding in de Ingenieurswetenschappen aan de VUB onderzocht ze de invloed van gebruikersgedrag op energieverbruik in woningen met probabilistische computermodellen die enquête-data omzetten in bruikbare data voor dynamische energiesimulaties voor gebouwen.    

Uitgelichte afbeelding: ‘In de evolutie naar bijna-energie-neutrale (BEN) woningen wordt het des te belangrijker om de effecten van gebruikersgedrag te begrijpen.’