Tagarchief: Blanco Architecten

Architect Vincent Van Den Broecke vertelt over warmtepompen, ventilatie na corona en wat er anders kan in onze wooncultuur

Lees het gehele artikel

Als het over verwarming, koeling, ventilatie, elektriciteit,… gaat, laten we in dit magazine heel vaak mensen uit de installatiebranche of ­fabrikanten aan het woord. Maar daarmee gaan we voorbij aan één beroepscategorie met een belangrijke invloed: de architect, de gatekeeper die mensen met bouwdromen op weg helpt en zo een belangrijke rol speelt in de keuze van technieken. We legden enkele hete hangijzers voor aan Vincent Van Den Broecke, bestuurder bij Blanco Architecten en architect met een uitgesproken mening. ‘Subsidies voor warmtepompen? Misschien moeten we ze afschaffen, want ze houden net de hoge prijzen in stand’, zegt hij.

Vincent Van Den Broecke (1976) is ondertussen 21 jaar actief bij Blanco Architecten, een bureau uit de groene Brusselse rand (Hoeilaart) dat voornamelijk in de residentiële sector actief is. Hij staat ook bekend als ‘de Twitterende architect’ (n.v.d.r.), omdat hij er op Twitter niet voor terug­deinst om zijn mening te uiten over architecturale, bouwgerelateerde of maat­schappelijke thema’s – en als hij met zijn standpunt tegen heilige huisjes aantrapt, dan is dat ook maar zo. “Architecten mogen wat vaker van zich laten horen: ik vind dat het deel van de rol van de architect is om wat vaker ‘constructief kritisch’ te zijn. Die spanning is net goed: zonder frictie, geen glans”, lacht Van Den Broecke.

“Je ziet dat bijvoorbeeld in debatten over ver­warming en energie. Beleidsmensen en zij die hen voeden, de academici, missen al te vaak de pragma­tiek van de praktijk. Terwijl wij, als eerste aanspreek­punt voor de klant, meer met beide voeten in de werkelijkheid staan. Als architect moeten wij de technieken niet micro­managen. Ik wil niet mee de leidingen en het type ventilator uitkiezen. Wij informeren onze klanten en bieden hen een helikopteroverzicht van de mogelijkheden. Maar tegelijkertijd wordt er ons heel wat opgelegd, en mogen we ons daar meer in laten horen.”

Zijn de klimaatdoelstellingen – met onder meer een renovatiegraad van meer dan 3 procent – dan niet realistisch?

Men gaat er soms toch te licht over. Men wil om oude woningen renoveren, isoleren en uitrusten met een energiezuinig verwarmingssysteem, maar men stelt daar een renovatielening van 60.000 euro tegenover.

Met 60.000 euro heb je hoogstens je gebouw gestript, maar moet je nog aan de echte renovatie beginnen. En dat terwijl in een gezinswoning elke 1.000 euro van belang is. Er gaapt een kloof tussen de wetenschap en de praktijk. Eén ding moet duidelijk zijn: alles begint bij de gebouwschil. Wij adviseren klanten om eerst en vooral te investeren in (isolatie van) daken, muren, ramen en vloeren. Eenmaal dat gebeurd is en – niet onbelangrijk – er is nog budget over, kijk dan naar de technieken. De gebouwschil zal de technieken immers met voorsprong overleven.

Dit gezegd zijnde: als de gebouwschil in orde is zullen we altijd vloerverwarming adviseren. En als hij nadien nog voldoende middelen heeft, raden we steevast een warmtepomp aan.

Vindt u het vandaag nog opportuun om stookolie- of gasketels te plaatsen?

De vraag naar stookolie is quasi uitgestorven, zeker in nieuwbouw. Gas is een ander verhaal. Wanneer een klant zich geen warmtepomp kan veroorloven raad ik hem wel eens aan om te beginnen met een gascondensatieketel. Als hij al vloerverwarming liggen heeft, kan hij later nog altijd de switch maken.

‘De technieken moeten ten dienste staan van de gebruiker, niet omgekeerd.’

Het blijft een moeilijk debat. Ik heb er geen problemen mee om bij grote verkavelingen van gas af te stappen, maar ik blijf op mijn honger zitten wat warmtepompen op collectieve schaal, op wijkniveau, betreft. En wat kan je zeggen tegen een klant die wel een warmtepomp wil, maar die niet kan veroorloven? ‘Zet dan een minder dure keuken’, zeggen criticasters dan, maar zo zit de mens niet in elkaar. Comfort primeert altijd. En wij dienen nog altijd onze klant. Als die zegt ‘Nooit van mijn leven’, dan zal er geen warmtepomp komen.

Als een warmtepomp voor vele klanten te duur is, waarom sprak u zich dan in De Standaard uit tegen subsidies voor warmtepompen?

Omdat subsidies net die hoge prijzen in stand houden. Kijk naar wat er gebeurt is met zonne­panelen: toen groenestroomcertificaten werden afgeschaft, werden zonnepanelen drie keer zo goedkoop. Met warmtepompen verwacht ik hetzelfde: zonder subsidies nivelleert de markt zich. Het is met elke nieuwe technologie zo dat de early adapters meer betalen. Vandaag de dag bevinden warmtepompen zich ongeveer op het niveau van de elektrische auto: op de rand van de doorbraak, maar nog net geen mainstream. Die doorbraak komt er, ongeacht de prijs. Iedereen die gaat bouwen en ons kantoor binnenstapt, vraagt vanzelf achter een warmtepomp. Alleen denken ze daar soms anders over wanneer de financiële kant van het verhaal aan bod komt.

Overschatten we het belang van technologieën?

Ik heb een groot vertrouwen in technologie. Om opnieuw de PV-markt als voorbeeld te nemen: na het afschaffen van het ‘terugdraaiende teller’-principe regende het dramatische berichten, maar ik raad mensen nog altijd aan om zonnepanelen te leggen. Ze zijn nog steeds rendabel, en de – noodzakelijke – batterijtechniek zal wel volgen.

Maar technologie werkt enkel goed als er geen abrupte gedragsveranderingen gevraagd worden. Neem nu trends als domotica en smart homes. Als beginnend architect werd domotica aangekondigd als the next big thing, maar de echte doorbraak blijft uit. De meeste mensen willen geen lijdend voorwerp van hun eigen huis worden. Mensen met zonnepanelen worden nu aangeraden om hun wasmachine enkel aan te zetten wanneer de zon schijnt. Een mooi theoretisch model, maar niet praktisch. Ons gedrag aanpassen aan de stand van de zon is een stap terug in de tijd zetten. Van zodra het dagdagelijkse de mens meer moeite kost, haakt hij af.

Voor mij als architect zijn technieken dus secundair, hetgeen niet wil zeggen dat er geen aandacht aan besteed zou moeten worden. Daarmee bedoel ik dat de uitwerking van de technieken even goed moet zijn als het architecturaal ontwerp. Maar ik vind het een beetje zonde wanneer architecten hun ontwerp zodanig kneden omdat er tegen welke prijs dan ook een welbepaalde techniek in verwerkt moeten worden. De technieken moeten ten dienste staan van de gebruiker, niet omgekeerd.

Komt dat omdat men teveel focust op EPB en EPC?

Architecten laten zich er te snel en te vaak door leiden. Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die een huis kocht op basis van een EPC-score. Wonen is geen theoretisch model: de mens zoekt naar geborgenheid en intimiteit, factoren die je niet kan vatten in berekeningen. Mensen kiezen op basis van hun buikgevoel. Een lager EPC betekent niet altijd ‘een betere woning’. Net zoals bij de technieken is het EPB voor mij een middel en geen doel. Ik kijk meer naar kwaliteiten als lichttoetreding, materiaalkeuze en ruimtelijkheid.

Is het steeds toenemende probleem van over­verhitting in (nieuwbouw)woningen daar een voorbeeld van?

Dat is een gevolg van de klimaatverschuiving, in combinatie met onze hypergeïsoleerde en luchtdichte nieuwbouwwoningen: we moeten nu meer gaan koelen. De introductie van het S-peil heeft dat er niet gemakkelijker op gemaakt, want via uitkragingen en overstekende verdiepingen kan je meer schaduw creëren, maar dat soort ingrepen heeft een negatieve impact op je S-peil.

In de eerste plaats proberen we oververhitting te voorkomen door zonwering te plaatsen. Denk ook aan aanplantingen: een natuurlijke zonwering in de zomer, en lichtdoorlatend in de winter. Airconditioning is een laatste redmiddel, ook al moet het beeld van airco’s als energieverslinders wel stilaan worden bijgesteld, zeker in combinatie met PV-panelen.

Een interview vandaag de dag is niet volledig zonder het over corona te hebben. Sinds we steeds meer beseffen dat virussen zich via de lucht verspreiden, gaat er plots meer aandacht naar binnenluchtkwaliteit en ventilatie. Vragen uw klanten daar vaker naar?

Het is alleszins niet iets dat echt leeft bij mensen die met ons willen bouwen. Hier komen jaarlijks om en bij de 120 mensen op gesprek, en het thema is door geen enkele onder hen op tafel gelegd. Het belangrijkste rechtstreekse gevolg van de coronacrisis is dat mensen nog ruimer willen wonen, en voldoende ruimte willen voorzien voor bijvoorbeeld een thuiskantoor.

Ik vind het natuurlijk wel belangrijk dat er aandacht aan besteed wordt, maar ik denk dat het in woningen tot op vandaag niet al te hoog op de agenda staat. In openbare gebouwen is dat natuurlijk anders, al stel ik me grote vragen bij het debat over CO 2 -meters in klaslokalen, de nieuwe dooddoener. Er zou werk gemaakt moeten worden van een grote ventilatiegolf in onze scholen, maar omdat dat teveel kost richt men de aandacht op de CO 2 -meters. Daarmee kan je wel laten zien dat er een probleem is, maar heb je dat probleem nog niet opgelost.

Waarom wordt ventilatie zo vaak vergeten of genegeerd?

Hoe ervaar je goede luchtkwaliteit? De impact op het welbevinden komt altijd pas achteraf. En mensen vertrouwen op zogenaamde good practices: een raam openzetten na de douche om te verluchten, en dan zal het wel volstaan.

Het is een goede zaak dat de wetgeving een ventilatieverplichting oplegt, maar ik kom mensen tegen die nog liever een boete betalen dan een ventilatiesysteem installeren. Daar komt dan ook nog eens bij dat ventilatiesystemen nog al te vaak onoordeelkundig geplaatst worden, waardoor ze meer problemen veroorzaken dan oplossen. Elke zichzelf respecterend installateur zou alleen maar ventilatiesystemen mogen installeren als hij er ook een onderhoudscontract aan koppelt. Dat is de enige manier om de kwaliteit te waarborgen, want slechts een enkele particulier zal eraan denken om zelf de leidingen te (laten) reinigen.

‘Wat kan je zeggen tegen een klant die wel een warmtepomp wil, maar die niet kan veroorloven? ‘Zet dan een minder dure keuken’, zeggen criticasters dan, maar zo zit de mens niet in elkaar.’

Veel van de problemen in de huidige bouw- en wooncultuur hebben volgens Van Den Broecke te maken met onze wooncultuur. “In de woningbouw gaat alles trager. Een gemiddelde mens bouwt misschien één, hoogstens twee keer in zijn hele leven. Trouwen – kinderen krijgen – bouwen, niet noodzakelijk in die volgorde. Heel wat kleinkinderen komen in de woning van hun grootouders terecht, die 50 jaar onaangeroerd is gebleven. In zo’n woning is het heel moeilijk om een omslag te realiseren, tenzij je je aan een dure totaalrenovatie waagt.”

Van Den Broecke kijkt daarom met interesse naar de wooncultuur in Japan. “Daar is bouwen meer zoals een auto kopen: om de vijftien à twintig jaar is het tijd voor een vernieuwing. Je ziet er meer experimentele woningen, nieuwe technologieën vinden er sneller ingang.” Bouwen per levensfase, het is iets waar Van Den Broecke ook in ons land van droomt: “Je zou dat kunnen stimuleren via fiscaliteit: waarom niet nadenken over een verlaagd btw-tarief voor wie zijn grote gezinswoning verkoopt en voor zijn tweede levensfase overstapt naar een kleinere woning? Ook overdraagbare schrijfrechten zijn een stap in de richting. Wat er ook gebeurt, het is belangrijk dat er meer mobiliteit in de huizenmarkt komt. Voorlopig zit dat jammer genoeg niet voldoende in onze cultuur”, besluit Van Den Broecke.